Stefan van Boesschoten




Stefan van Boesschoten (37) staat al sinds 2008 op het terrein. Eerst als jonge rekruut, vers uit de militaire dienst, zoekend naar richting. Zijn vader wees hem ooit op een advertentie van de bedrijfsschool van de voormalige Hoogovens. “Is dat niks voor jou?” Het bleek het begin van een leven in ploegendienst — MBO, HBO, energiebedrijf — en uiteindelijk zijn huidige functie als Chef van de Wacht bij de kooksgasfabrieken.



Twee fabrieken, een paar kilometer uit elkaar, verbonden door systemen die ouder zijn dan hijzelf en al jaren onder druk staan van kritische milieuactivisten en dwangsommen van de Omgevingsdienst.
Hij kent de cultuur van binnenuit.
“Vroeger was het echt cowboywerk,” zegt hij.
“Dat is de laatste jaren wel veranderd.” De druk van buiten speelde daarin een rol, en dat noemt hij eerlijk. Veiligheid, emissies, controles: het staat hoger op de agenda dan toen hij begon.

Toch leest hij soms dat Tata bewust dingen zou achterhouden, of niets zou doen aan onderhoud. Dat schuurt vooral omdat hij iets anders ziet op de werkvloer: de jongens die elke dag de ovens nalopen, lekkages dichtsmeren, of op het gloeiendhete dak staan met een Airstream-helm op, om het proces door hitte en rook heen te bewaken.
“Het is onze fabriek,” zegt hij.
“Mensen werken hier hun hele leven.”

Die loyaliteit is voelbaar, maar de kritiek van buiten komt wel binnen. Zeker het idee dat vooral ’s nachts “alles maar kan”. Het gezegde in Wijk aan Zee luidt al decennia: “Ze doen het stiekem of ze doen het ’s nachts.”
“Onzin,” zegt Stefan. “We staan altijd onder camera’s. Niemand wil emissie veroorzaken.”
De fabriek is ouder dan de meeste mensen die er werken, maar heeft zijn langste tijd gehad: in 2030 moet Kooks- en Gasfabriek 2 dicht. Een harde belofte van Tata Steel. Tot die tijd is het spitsroeden lopen: elke fout, elke emissie wordt de kooksfabrieken zwaar aangerekend. Camera’s van de milieubeweging en de Omgevingsdienst leggen elke misser vast.



Kooksfabriek 2 - Tata Steel IJmuiden


“Techniek faalt,” zegt hij, “net als een auto.” Soms gaat er gewoon iets mis: kleppen, deuren, systemen die niet doen wat ze moeten doen. “Maar we willen het zo goed mogelijk doen tot 2030. Je sluit iets netjes af.”

Ik vertel hem dat ik de laatste weken vaak aan hem heb gedacht — een jonge vader met twee jongens, net als ikzelf — en lees hem voor wat Jacob de Boer, hoogleraar toxicologie, mij eerder zei: dat werken op de kooksgasfabriek “zelfmoord op termijn” was.
Er valt een korte stilte. Het komt binnen.
Daarna herpakt hij zich. Bijna automatisch grijpt hij terug naar zijn vak. Hij pareert de woorden door kalm uit te leggen hoe de Airstream-helm werkt, hoe de filters en PAK-tests toezicht houden op blootstelling. Rustig, precies — alsof hij het gesprek weer terugbrengt naar de grond die hij kent.

Blustoren van Kooks- en Gasfabriek 1 (KGF-1), Tata Steel IJmuiden, 2025. In de kooksgasfabrieken wordt steenkool verhit om kooks te produceren voor gebruik in de hoogovens. Bij dit proces komen onder meer benzeen en andere schadelijke stoffen vrij. Metingen van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied lieten benzeenconcentraties zien tot twintig keer boven de toegestane grenswaarde.



Over zijn gezondheid maakt hij zich weinig zorgen. Niet omdat het hem niets kan schelen, maar omdat hij vertrouwt op wat ze meten en doen: de helm, de protocollen, de overdruksystemen.
“Als je je PBM’s — persoonlijke beschermingsmiddelen — gebruikt, zit je goed,” zegt hij. “Het wordt allemaal gemonitord.”

Hij ziet hoe moeilijk het is om vertrouwen in de omgeving terug te winnen. “Soms wil men buiten niet horen wat we hier wél beter doen.” Toch vindt hij dat essentieel. “Je hebt die omgeving nodig om de transitie te halen.”
Hij vertelt over de dag dat Greenpeace het terrein op kwam. Driehonderd mensen met vlaggen en spandoeken, tijdens de dienst van zijn ploeg. Een intensieve en spannende dag, maar zonder escalatie.
“Je staat dan tegenover elkaar, maar je wilt wel dat iedereen heel blijft.”
Sommige demonstranten wilden echt weten hoe het proces werkt. Anderen kwamen om te blokkeren. Het gesprek met de eersten waardeerde hij zichtbaar meer.



Aan het eind van ons gesprek vertelt hij bijna terloops over de stiltes in de nachtdienst, over frittata — een soort stevige omelet — met de ploeg op een zondag, over het uitzicht vanaf de kolentoren met nieuwjaarsnacht: de oliebollen, chocolademelk en het vuurwerk boven de sluizen.

Het zijn die momenten ertussen die het werk dragen.
“Het is robuuste industrie,” zegt hij. “In pure vorm.”

Hij wil er zijn tot Kooksfabriek 2 sluit. Daarna ziet hij wel. Een half jaar werkte hij elders, maar hij kwam terug.

“Tata is een fijne werkgever,” zegt hij.
“En je werkt samen. Je kent elkaar. Je draagt die fabriek tot de laatste dag.”






Home