Roel Berghuis
Wanneer we elkaar treffen bij Duinpark Paasdal in Wijk aan Zee, vertelt Roel dat de vrouw van zijn broer Jan net is overleden. Ze was al vijf jaar ziek, waarvan de laatste tweeënhalf jaar in een verzorgingstehuis.
“Het was ook wel een verlossing,” zegt hij zacht.
Hij heeft het in memoriam geschreven dat morgen in de krant verschijnt.
“Het moet eruit,” voegt hij eraan toe — nuchter, maar bewogen.
Die toon — persoonlijk én politiek — kleurt het gesprek.
Hij begon op zijn zeventiende bij Hoogovens, als smelter: een jongen tussen het vuur. Zestien jaar hield hij het vol aan de warme kant, tot hij zijn plek vond bij de vakbond. Daar werkte hij 28 jaar, groeide uit tot bestuurder en stond aan de onderhandelingstafels van grote bedrijven, onder meer bij de NS.
“Daar leerde ik hoe je buiten naar binnen haalt,” zegt hij.
In 2020 werd hij gebeld door kaderleden van de FNV bij Tata Steel. De bestuurder zou vertrekken, en ze zochten iemand die het bedrijf en de cultuur kende. Iemand die meteen aan de slag kon. De aanleiding was praktisch, maar onder de oppervlakte lag meer: een bedrijf in crisis — technisch, sociaal en moreel.
Wat hij aantreft is een belegeringsreflex.
“Alles wat van buiten komt is vijandig.”
Pers, politiek, omwonenden, activisten — allemaal worden ze gezien als indringers. De vergelijking die journalist Peter de Waard ooit maakte — Asterix & Obelix tegen de Romeinen — wordt voor Roel een werkdiagnose.
De remedie: openzetten.
Hij zoekt contact met oud-directeuren van Stichting Zeester, met landelijke milieuorganisaties zoals Milieudefensie, Urgenda, Natuur & Milieu en de Noord-Hollandse Milieufederatie, de kritische pers en met andere bonden. Niet om elkaar gelijk te geven, maar om een plan te krijgen dat ergens landen kan.
21 september 2021 wordt een kantelpunt.
De Tata-directie omarmt zijn groene plan.
Den Haag krijgt een gezamenlijke brief, Tata haakt vol overtuiging in op Groen Staal. “Niet omdat ze het hier zelf bedachten,” zegt hij droog, “maar omdat de druk eindelijk de goede kant op stond.”
Toch voelt hij ook de dubbelheid van dat moment.
“Soms denk ik: ik bén ook dat systeem,” zegt hij. “Ik heb er m’n leven in doorgebracht, met al zijn fouten en zijn kracht. Maar iemand moet het van binnenuit blijven duwen.”
Roel is scherp op wat hij sluitstukken noemt. Kooksfabriek 2 moet dicht — “liefst morgen” — als politieke keuze, niet als technisch excuus. De transparantie is beter dan vroeger, met roadmaps en rondleidingen, maar “de cultuur blijft gesloten.”
Volgens hem ligt het echte probleem bij de eigenaar: strategische besluiten vallen in India, terwijl de Nederlandse leiding die pas achteraf hoort.
Daarom pleit hij niet voor een volledige nationalisatie, maar voor publieke participatie — vergelijkbaar met andere staatsdeelnemingen.
“Koop zeggenschap, deel risico’s, en koppel publiek geld aan publieke doelen.”
Over geld is hij helder, maar alles schuurt.
“Het gaat om miljarden, en om tijd.”
Hij begrijpt het trage politieke tempo, maar ziet ook wat er intussen verloren gaat. Een letter of intent vóór de verkiezingen, maar de echte afspraken pas erna — dat zegt hem genoeg. “Hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt. Voor het bedrijf, én voor de omgeving.” De fabriek had zelf ook weinig haast in het begin. Een plan wordt ingetrokken, een jaar gaat verloren. Alles moet opnieuw worden uitgevonden.
Als schoon geproduceerde waterstof schaars en duur blijft, verwacht hij dat de druk zal toenemen om in elk geval elektrische ovens te bouwen. Die hebben nog geen waterstof nodig. Maar de lat moet hoog blijven: IJmuiden is groot geworden met topstaal, en dat mag niet verder verwateren. “Anders holt het verdienmodel uit.”
Zijn Plan B is niet wonen, maar werk. Plannen voor een stad op het Tata-terrein wuift hij weg. Hij gelooft in samenwerkingen met bedrijven zoals SIF — een producent van fundaties voor windmolens en andere zware staalconstructies — en een maakindustrie die de energietransitie voedt.
“Je vervangt vies door beter — niet door leegte.”
Hij gruwt van vastgoeddromen op de duinen: “Luchtfietserij die miljoenen oplevert voor een paar, en banen kost voor velen.”
Met de dorpsraad en lokale actiegroepen botst het geregeld. Niet omdat gezondheid hem niets zegt — integendeel. Hij begrijpt de onrust, ook van mensen die pas kort in de IJmond wonen. “Je mag schrikken van wat je hier aantreft,” zegt hij. Maar tegelijk stoort hem het gemak waarmee sommigen oordelen over een wereld die ze nauwelijks kennen.
“De fabriek stond er al,” zegt hij.
“Maar dat ontslaat Tata niet van zijn verantwoordelijkheid.”
Over gezondheid spreekt hij bedachtzaam.
“Het ís erg,” zegt hij, “maar het is niet alléén erg.”
Hij gelooft in verbetering, maar niet in afrekening.
“Je maakt het niet beter door het kapot te maken.”
De woede van activisten begrijpt hij, de toon niet altijd.
“Ik snap dat mensen het zat zijn,” zegt hij. “Maar als we elkaar alleen nog beschuldigen, blijft er niemand meer over om het op te lossen.”
Roel blijft ook dichtbij de sociale inzet waarmee hij ooit begon: een staalfabriek is geen museumstuk, maar een netwerk van kennis, ketens, opleidingen, loonhuizen.
Sluit je het, dan “ontstaat een desolate IJmond.”
Laat je het voortmodderen, dan betaalt de omgeving met gezondheid en toenemend wantrouwen.
Dus moet het bedrijf sneller, opener, strenger zijn voor zichzelf. En moeten werknemers niet alleen naast, maar óók tegenover de directie kunnen staan als het moet — samen sterker, maar niet tandeloos.
Er klinkt weemoed in zijn geloof dat Tata kan blijven.
“Ik wil dat mijn kleinzoon straks nog kan zeggen: dat staal komt uit IJmuiden,” zegt hij. “Maar dan wel zonder die rook.”