Petra Dekker
Petra Dekker vertelt haar verhaal aan de keukentafel bij haar thuis in Heerhugowaard. Koekjes op tafel en de koffie ingeschonken.
Ze werkt al vijftien of zestien jaar bij Tata Steel, zegt ze. In de elektrotechniek. Haar man werkt er ook.
Ze begon als werkvoorbereider, via een uitzendbureau, in de tijd dat het bedrijf nog Corus heette. Ze kwam in verschillende fabrieken. Ze pakte klussen op, mat kabels uit, berekende aansluitingen, liep installaties na. Ze werkte in de sinterfabriek, later bij de koudband en bij Tata Steel Packaging.
Na een aantal jaren vertrok ze. Ze wilde doorgroeien, zegt ze, maar dat lukte op dat moment niet bij Tata. Zes jaar werkte ze buiten het bedrijf. Ieder jaar een andere functie, bij weer een ander bedrijf. Daarna keerde ze terug.
Sinds een jaar of acht werkt ze nu in de warmbandwalserij. Haar werk draait om onderhoud: inspecties, storingen, voorbereiding van werkzaamheden. Zorgen dat de installatie blijft draaien. Eén keer per jaar ligt de fabriek een week volledig stil. Dan wordt er dag en nacht aan onderhoud gewerkt.
“Dat zijn zware weken,” zegt ze.
Door de aanstaande reorganisatie verdwijnt haar functie. Ze weet dat al. Het maakt haar niet onrustig. Er komen nieuwe functies voor terug, het werk wordt anders verdeeld. Ze wil bij Tata blijven. Niet per se in deze rol, maar in de fabriek. De techniek vindt ze leuk, zegt ze. Zeker nu er veel wordt vernieuwd.
Over haar gezondheid zegt ze dat ze niet bang is. Ze weet waar ze wel en niet moet zijn, werkt bewust van de risico’s, let op haar eigen veiligheid. De fabriek is niet schoon — ze eet er niet — maar dat hoort voor haar bij het werk. Ze heeft ook in andere fabrieken gewerkt waar dat niet anders was.
Tata Steel noemt ze een goede werkgever. Ze werkt er met plezier. Ze ziet dat er door de jaren heen dingen zijn veranderd. Dat er wordt geïnvesteerd, ook in gezondheid en milieu. Tegelijk erkent ze dat fabrieken oud zijn en dat veranderingen tijd kosten.
“Dat los je niet in één dag op,” zegt ze.
Wanneer het gesprek over de omgeving gaat, wordt ze voorzichtiger. Ze volgt het nieuws, leest wat er intern wordt gedeeld, maar mengt zich niet in beleidsdiscussies.
“Dat is niet mijn vakgebied.”
Ze begrijpt de zorgen van bewoners. Ze ziet ook dat sommige mensen buiten het bedrijf zeer goed geïnformeerd zijn. Toch vindt ze dat het beeld vaak eenzijdig is.
“De waarheid ligt ergens in het midden,” zegt ze. Niet alles is goed, maar alles is evenmin slecht.
Binnen het bedrijf wordt volgens haar gewerkt aan verbeteringen, maar dat is lange tijd weinig zichtbaar geweest. Ze beaamt dat Tata te gesloten is geweest. Dat er te weinig transparantie was richting de omgeving.
“Dat is een gemiste kans.”
Als vrouw in de techniek heeft ze zich moeten bewijzen. Op school was ze de enige vrouw in de klas; in de fabriek zijn vrouwen nog steeds schaars. Soms wordt haar kennis in twijfel getrokken. Maar soms wordt ze juist ongevraagd geholpen. Ze heeft geleerd daarmee om te gaan. Na zoveel jaren staat ze steviger.
Aan het einde van het gesprek zegt ze dat ze het moeilijk vindt. Niet omdat ze geen mening heeft, maar omdat ze niet alles weet. Ze zit midden in het bedrijf — en ook thuis is het bedrijf aanwezig. Ze ziet de zorgen van buiten en de inzet van binnen.
“Wij zitten er middenin,” zegt ze.
“We leven met de situatie zoals die is. En we proberen daar het beste van te maken — met wat we wel kunnen.”
Home