Mendes Stengs
Op zijn 21ste begon Mendes Stengs bij de Hoogovens, in de haven waar de rollen staal worden geladen in schepen. Drie jaar lang liep hij als oproepkracht over het terrein, daarna kreeg hij een vast contract bij de energiecentrale. Hij werkte vervolgens bij de kooksfabriek, de koudbandwalserij en de staalfabriek. Steeds een paar jaar, steeds iets verder van de poort, maar nooit echt weg van het geluid en de geur.
Na twaalf jaar stapte hij over naar de provincie Noord-Holland en later de omgevingsdienst, waar hij als milieu-inspecteur geen toezicht mocht houden op hetzelfde terrein dat hij van binnen en van buiten zo goed kende. “Ik dacht: nu kan ik eindelijk iets doen aan wat ik altijd zag,” zegt hij. “Maar de inspectiedienst zag dit eerder als belangenverstrengeling.”
Een bewuste politieke keuze geweest van hen.
In 2017 keerde hij terug bij Tata Steel. “Ik hoopte thuis te komen,” zegt hij, “maar het voelde niet meer aan als hetzelfde bedrijf.” In januari 2024 werd hij ontslagen nadat hij in de media kritiek uitte op het bedrijf, maar nadat diezelfde media daar een schandaal over maakten in de kolommen, mocht hij zes weken later weer terugkomen. Sindsdien heeft hij officieel wel een contract, maar geen functie. “Ik ga er wel heen,” zegt hij. “Maar ik heb eigenlijk nog steeds geen werk. Ze noemen het ‘tijdelijk ander werk’. We zijn alweer een jaar verder.”
Hij glimlacht even vermoeid. “Het typeert het bedrijf. Meer reorganiseren dan repareren.”
Volgens Stengs is het niet het staal dat vastloopt, maar het systeem.
“Onderbezetting? Dat is gecreëerd,” zegt hij.
“Ze hebben jarenlang te weinig geworven in de ploegendienst en te veel mensen eruit gedrukt. Dan krijg je fabrieken vol met tijdelijke inleenkrachten die na een jaar weer weg zijn. Op afdelingen waar ervaring letterlijk het verschil maakt tussen veiligheid en gevaar.”
Zijn toon wordt scherper. “Leiderschap is ingeruild voor beheersbaarheid. Alles moet op een formulier. Wie zijn mond open doet, krijgt een M’tje bij z’n beoordeling.”
Hij heeft weinig vertrouwen meer in de interne tegenmacht.
“De vakbond doet niks,” zegt hij.
“Die praat alleen nog over loon, niet over arbeidsomstandigheden.” Hij was lid van de ondernemingsraad, maar werd daar op slinkse wijze uit gewerkt. “De ondernemingsraad durft geen lastige vragen te stellen. Daar wordt gepresenteerd van bovenaf, niet gediscussieerd.”
“Bij Tata wordt er voor je gedacht. Dat zei mijn vader al, die hier ook werkte. En hij had gelijk.”
Zijn kritiek reikt verder dan de poort. Bij de omgevingsdienst zag hij hoe overheid en bedrijf elkaar in evenwicht hielden door vooral niet te veel te doen. “Er is jarenlang weggekeken. Tata maakte daar handig gebruik van. Een overtreding? Twee weken later kreeg de fabriek de inspectiebrief, maar de overtreding bleef in die tussentijd bestaan.”
Dat hij op een dag enkele mensen van de dorpsraad van Wijk aan Zee sprak was voor hem geen stap naar ‘de andere kant’, maar een logisch gevolg. “Die bewoners weten vaak beter wat er speelt dan de mensen in de directiekamer van Tata,” zegt hij. “Ze hebben kennis, cijfers, feiten. Geen hysterie. En ze hebben gewoon gelijk.”
“Het probleem is niet het staal, het probleem is dat er niet geluisterd wordt.”
Hij ergert zich aan de greenwashing. “Ze praten over duurzaamheid, maar ze luisteren niet naar de mensen die de troep inademen.”
Toch wil hij dat het bedrijf blijft bestaan, maar anders. “Zonder staal heb je geen land,” zegt hij. “Maar als je de fabriek voortzet, moet je ook eerlijk zijn over wat het kost. Niet elk jaar zeven miljoen ton staal als doel op de muur, maar produceren naar behoefte. En investeren waar het in de omgeving echt pijn doet. Niet aanvegen, maar installaties vervangen.”
De macht, zegt hij, ligt bij mensen die niet op het terrein komen maar bij de bewoners. “Bovenin het bedrijf vullen ze hun zakken. Onderaan lopen mensen met maskers in de rook. En daartussen zit niks meer.
Geen verbinding, geen vertrouwen.”
Naast zijn werk is Stengs gemeenteraadslid en oprichter van GROENSTAAL!, een lokale politieke partij die industriepolitiek wil verbinden met wonen en leefbaarheid. “Ik verander wel eens van partij,” zegt hij, “maar niet van standpunt.”
Hij kijkt op, nadenkend. “Het bedrijf is leeggetrokken,” zegt hij. “De kennis is weg, het geld ook. En toch is het nog niet ingestort. Dat is misschien wel het grootste wonder.” Dan, na een korte stilte: “Het moet anders.” Niet omdat Den Haag het zegt, maar omdat het anders niet meer kan.