Laura ten Brink
Het was een stralende dag eind augustus, voor het provinciehuis in Haarlem.
De zon scheen over het plein waar zo’n veertig mensen stonden met spandoeken, kartonnen borden en trommels.
De boodschap: Stop Tata.
Tussen hen stond Laura ten Brink — rustig, aandachtig, in gesprek met voorbijgangers die even bleven luisteren.
“We zijn niet tegen de mensen bij Tata,” zegt ze. “We willen niet dat ze hun baan verliezen of in de ellende komen. Maar soms kan een fabriek gewoon niet meer bestaan.”
Laura is actief bij Kappen met Kolen en Extinction Rebellion. Ze noemt de houding van politiek en bestuur “kop in het zand-politiek”.
“Iedereen weet dat dit model niet houdbaar is,” zegt ze. “En toch blijven we doen alsof er nog tijd is. Alsof het vanzelf goedkomt. Dat vind ik soms moeilijk — het voelt alsof niemand de ernst écht wil zien.”
Ik vertel haar over een oud-Tatawerknemer, een echte IJmuidenaar die het bedrijf van binnenuit kent.
Hij sprak over Tata als “een dom bedrijf”: niet omdat de mensen dom zijn, maar vanwege de gesloten cultuur.
Laura knikt. “Ja, precies dat. Die geslotenheid, dat in zichzelf gekeerde, dat maakt het ook zo moeilijk om te veranderen. De hele regio is ermee verweven.”
Ze begrijpt die loyaliteit.
“Tata was ooit alles: je pensioen, je sportclub, je vakantie, je hele leven. Mensen konden goedkoop eten kopen, kregen korting, zekerheid.
Dat schept een band. En ik snap dat.”
“Daarom zeggen we steeds: we zijn niet tegen jullie, maar tegen de vervuiling.
Maar hoe langer het duurt, hoe moeilijker het wordt om die twee nog te scheiden.”
Volgens haar is het idee van massawerkloosheid na een sluiting achterhaald.
“Er is onderzoek gedaan door Intelligence Group. Er is een enorme vraag naar technisch personeel in de energietransitie. Die mensen kunnen allemaal ergens anders aan de slag, en dan wél in een schone sector.”
Ze wijst op een ander misverstand.
“We hebben het altijd over de ‘Nederlandse arbeiders’, maar een groot deel komt uit landen als Polen of Turkije. Ook zij verdienen een goed leven. Alleen… hebben ze dat hier wel?”
“Buiten Tata zijn de lonen vaak lager, de contracten slechter. En ondertussen ontslaat het bedrijf regelmatig mensen.
Hoe loyaal moet je dan nog zijn?”
Over de plannen voor Groen Staal is ze sceptisch.
“Het schuift maar op. Eerst zou het starten in 2025, nu pas in 2030. En elke keer horen we weer de belofte: als we geld krijgen, dan vergroenen we.”
“Maar het enorme windmolenpark op zee dat Tata nodig heeft, komt niet eens van de grond. Hoe reëel is het dan? Als je nú niet ingrijpt, neem je de klimaatcrisis niet serieus.”
“We roepen dit al drie jaar,” zegt ze. “Zonder die vergunningen is er geen businesscase meer voor kolenstaal. Dan stopt de vervuiling eindelijk.”
Ze zucht.
“Politici zeggen: het is juridisch ingewikkeld. Maar dat is angst. En ik snap dat ook — het vraagt moed om machtige bedrijven aan te pakken.”
“Maar als je die moed niet hebt, waarom ben je dan bestuurder?”
De politieke steun is broos.
“GroenLinks staat achter ons, maar samen met de PvdA verwatert dat. Zelfs de SP durft niet, want die zegt: wij staan aan de kant van de arbeiders.”
“Maar wie staat er dan aan de kant van hun gezondheid?”
De confrontatie met werknemers is soms pijnlijk.
“We zijn wel eens uitgescholden en aangereden bij een actie,” zegt ze.
“Maar ik praat liever. Als iemand van Tata me mailt, ga ik in gesprek. We willen weten hoe zij het zien.”
“We vechten niet tégen hen, maar vóór gezondheid — ook die van hen.”
“Maar als we stil blijven, verandert er helemaal niets. Dus blijven we het roepen. Al duurt het nog jaren.”
Ze kijkt even omhoog, naar de zon die achter de bomen schuilt.
“Er is geen andere keus.”
Home