Jos Kortekaas




Jos Kortekaas was halverwege de twintig toen hij in 1974 begon bij Kooksfabriek 2. Een paar jaar eerder was hij nog afgekeurd bij de medische keuring. Te klein, te kwetsbaar, vonden ze.



Maar hij probeerde het opnieuw en werd toen wel aangenomen.
“Het was vies werk,” zegt hij, “maar er gebeurde wat. Je maakte iets.”
Hij begon als storingsmonteur in de ploegendienst, tussen hitte, lawaai en rook. Veel rook. De fabriek: een imposante wereld van gloeiendhete vuurvaste kamers, kolen, gas en staal. Hij kwam zwart thuis, maar voldaan. Douchen na de dienst voelde als luxe.
Hij hield van zijn vak, van de techniek, van het oplossen van storingen met beperkte middelen.
“Je moest het kunnen hóren, ruiken, voelen. Daar zaten we goed in.”



Pas later drong door wat het werk hem kostte. In het begin hoorde het vuil er gewoon bij. Maar met de jaren groeide zijn twijfel.
Te veel collega’s werden ziek.
“Mannen van mijn ploeg gingen dood aan kanker. Soms denk ik: het is een wonder dat ik er zelf nog ben.”
Zijn werkkleding ging jarenlang mee naar huis, zijn vrouw waste het.

“We namen de fabriek gewoon mee naar binnen.”

Hij klom op naar de dagdienst, regelde werk, maakte planningen, begeleidde de overgang naar computers. Het was de tijd dat kennis van oude vakmensen begon te verdwijnen.
“We probeerden hun ervaring vast te leggen, maar veel ging toch verloren.”
Kortekaas bleef ertussenin hangen: te technisch voor het kantoor, te kritisch voor de werkvloer.

“Voor de bazen was ik iemand van buiten, voor de mannen iemand van boven.”
Het was de modernste fabriek van Europa, werd ooit gezegd. Maar toen hij er kwam werken, hing het terrein vol gele rook. Er werd opgelapt, niet vernieuwd.
“Een goede fabriek ruik je niet en zie je niet,” zegt hij, “en deze rook en stonk voortdurend.”

Kooksfabriek 2 - Tata Steel IJmuiden


Hij wees op lekken, meldde onveilig werk, greep in als regels werden overtreden. Dat maakte hem niet populair.

“Dan keerden ze zich tegen me. Maar ik vond dat het moest.”

De ontruimingen staan hem nog bij — het alarm, de gaslucht, de bluswolken vol gruis. Eén keer fietste hij er recht doorheen, op weg naar zijn dienst.
“Ik kreeg een hele lading stof over me heen. Ik heb het gemeld, maar er gebeurde niets.”

Toen hij zich later in de media uitsprak over de vervuiling en de slechte staat van Kooksfabriek 2, draaiden oud-collega’s hun hoofd weg op straat.
“Dat deed pijn,” zegt hij. “Maar iemand moest het zeggen.”



Het voelde als een pijnlijke breuk, niet alleen met het bedrijf, maar met een hele gemeenschap.
Bij zijn pensionering hield hij weinig over. Een helmriem, wat oude hangsloten, een mapje met foto’s. Hij heeft sindsdien geen voet meer op het terrein gezet.
“Ik trek dat niet. En ik weet dat er nog steeds mensen zijn die me liever niet zien.”
Nu is hij 77. Twee nieuwe knieën, een versleten enkel, slechtere longen.
“Dat hoort bij de leeftijd,” zegt hij, al klinkt het meer als zelfbescherming dan overtuiging.

Hij meet zelf fijnstof, praat mee met Tata en omwonenden, stelt nog steeds vragen.
“Dat is wat ik kan bijdragen.”
De plannen voor groen staal volgt hij met gemengde gevoelens.
“Het is een goed plan, maar ze zijn twintig jaar te laat.”



Hij weet hoe complex het is. Elke leiding, elke oven is met iets anders verbonden. Een rij dominostenen die kan omvallen.
Toch hoopt hij dat het lukt.
“Als ze het echt schoon krijgen, kunnen we er weer trots op zijn.”

Hij zegt niet veel meer te missen, behalve de mensen die er niet meer zijn.
“Ik heb er een mooi leven gehad,” zegt hij. “Maar het staal dat we maakten, blijft langer bestaan dan de mensen die het maakten.”