Jeroen Olthof
Het vleesgeworden bevoegd gezag over de grootste fabriek van Nederland zit kaarsrecht in zijn stoel, rug tegen de leuning, handen gevouwen. Een man met een standpunt. Een man die gewend is om iets uit te leggen. Als het over Tata Steel gaat, heeft hij zijn verhaal al klaar.
“Tata Steel kan blijven,” zegt hij, rustig articulerend. “Maar dan moet het groen en schoon. Anders is er geen toekomst voor het bedrijf.”
De zin klinkt geoefend. Hij heeft hem dan ook vaker uitgesproken — op congressen, voor camera’s, in commissievergaderingen van Provinciale Staten. Het is een standpunt dat hard klinkt, maar waar iedereen het over eens is. Tata Steel roept het zelf ook.
Hij vertelt over de aanzeggingsbrief die de provincie eind 2024 verstuurde: een laatste waarschuwing over de fel omstreden Kooksfabriek 2. Tata Steel kreeg twaalf maanden om overtredingen te verhelpen.
“Dat is geen tandeloze tijger,” zegt hij.
“We doen het echt. Als ze het niet op orde hebben, dan kán de vergunning worden ingetrokken.”
Hij zegt het met vaste stem — maar het blijft een mogelijkheid, geen belofte.
Het is die marge waar de bestuurlijke twijfel steeds weer binnensluipt. Want in dezelfde adem spreekt hij over het economisch belang van de IJmuidense staalproducent: duizenden banen, opleidingen, een hele regio die leeft van het staal.
“Wij vinden ook dat Tata Steel moet blijven. Het is een grote werkgever, diep verweven met de IJmond.”
En dan, bijna verontschuldigend:
“Maar het moet wél schoon.”
Sinds zijn aantreden in 2020, midden in coronatijd, laveert Olthof tussen toezicht en samenwerking. Hij spreekt met bewoners die zich zorgen maken over vervuiling en bezorgde ouders die van het RIVM te horen kregen dat hun kinderen de grootste risico’s lopen — en hij praat met werknemers die vrezen dat hun fabriek verdwijnt.
“Bij de één hoor je: dit moet stoppen. Bij de ander: dit mag niet verloren gaan. En daartussen moet ik mijn lijn houden.”
Hij zegt het zonder aarzeling, maar iets in zijn toon verraadt vermoeidheid — of misschien routine. Olthof waakt voor fouten. Zijn voorganger Adnan Tekin was over het Tata Steel-dossier gestruikeld. Dat zal Olthof niet overkomen.
Over handhaving zegt hij: “Wij hebben boetes opgelegd, tot miljoenen euro’s. En als dat niet helpt, komt de volgende stap.”
Toch klinkt het minder hard dan het lijkt. Tata Steel en Harsco kregen bij de Raad van State voor elkaar dat er een streep ging door bijna een half miljoen aan opgelegde dwangsommen voor de grafietregens.
Olthof ondertekende namens de provincie mee aan die intentieverklaring.
Officieel handhaver, maar tegelijk ook onderhandelaar — deelnemer aan het overleg dat moet beslissen of en hoe Tata Steel kan blijven bestaan. Het is dezelfde tafel waar hij zegt toezicht op te houden.
“Wij moeten zorgen dat de regels worden gehandhaafd, maar óók dat de vergroening doorgaat,” zei hij eerder in een interview. “Dat vraagt samenwerking met het bedrijf, met het Rijk en met de regio.”
Hij benadrukt zijn onafhankelijkheid.
“Handhaven is geen politieke keuze,” zegt hij. “Het ligt bij de omgevingsdienst.”
Maar die dienst valt onder provinciale verantwoordelijkheid — onder zíjn verantwoordelijkheid.
Toen de Omgevingsdienst faalde, trok hij de bevoegdheid een tijdlang in. En terwijl hij praat over “transparantie” en “consequent beleid”, blijven rapporten en nieuwsberichten een ander beeld oproepen: milieumetingen die grotendeels door Tata zelf worden uitgevoerd, waarden die bij onafhankelijke controle soms hoger uitvallen, rapporten die pas na grote publieke druk of journalistiek onderzoek openbaar worden gemaakt.
Olthof noemt zichzelf geen technicus.
“Ik ben geen ingenieur,” zegt hij, “maar ik weet wel dat er grenzen zijn.”
Zijn woorden verraden ontzag voor de staalfabriek. Hij vertelt over filters “zo groot als dit provinciehuis”, over buizen die “niet in deze kamer passen”.
“Toen ik kwam dacht ik nog: hoe moeilijk kan het zijn, zo’n filter? Nu weet ik: het is complex.”
Maar complexiteit kan ook een schild zijn.
Zijn woorden bewegen soepel tussen verantwoordelijkheid en onmacht.
“Ik vind het niet erg om rechtszaken te verliezen,” zegt hij later. “Dan weet je tenminste dat je de grens opzoekt.”
Dat klinkt dapper — en toch blijft iets wringen.
Wanneer het gesprek op vertrouwen komt, zegt hij:
“De bakker op de hoek moet zich ook aan regels houden. Tata niet minder.”
Hij glimlacht even, zelfverzekerd.
Wanneer het gesprek voorbij is, komt hij overeind. Netjes in pak, maar met z’n schoenveters nog los — alsof ook hij middenin een traject zit dat nog niet helemaal vastgeknoopt is.
Home