Jacob de Boer




Hij groeide op met zicht op de fabriek. Geboren in IJmuiden, met een vader en broer die werkten bij het schildersbedrijf op het terrein. De verhalen over het bedrijf kende hij van jongs af aan.
“Ik wist wat een walserij was,” zegt hij.



Als jongen zat hij met zijn vader te vissen aan het kanaal en telde de kleuren van de rookpluimen: wit, geel, beige, roodbruin, paars, zwart — tien tinten vervuiling. Nu ziet hij vooral witte stoom.
“Het is veel schoner dan vroeger,” zegt hij.
“En toch zitten we tegenwoordig boven grenzen die we met elkaar hebben afgesproken.”
Via de laatste lichting HBS belandt De Boer in de jaren zeventig op de laboratoriumschool in IJmuiden. Het terrein trekt hem niet.
“Ik dacht: wat er ook gebeurt, hier ga ik niet werken.”
Stage brengt hem bij het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek aan de Vissershaven. Daar vindt hij zijn onderwerp: milieu — een woord dat in 1974 nog nieuw klinkt.
Hij blijft, promoveert later aan de VU in de analytische chemie en bouwt een onderzoeksgroep rond persistente stoffen: PCB’s, dioxines, vlamvertragers, chloorparaffines en inmiddels PFAS. Stoffen die niet verdwijnen maar worden doorgegeven — via moedermelk, via bodem en water — van generatie op generatie.

“Daar heb ik mijn leven aan gewerkt.”

Na zijn emeritaat raakt hij, paradoxaal genoeg, dichter bij de fabriek uit zijn jeugd. De minister vraagt hem voor de Expertgroep Gezondheid IJmond. Niet om te beslissen, wel om te adviseren.



Ze zitten met longartsen en technici aan tafel, stapels cijfers voor zich.
“We hebben ons het apelazarus gezocht.”
Veel metingen worden door het bedrijf zelf uitgevoerd. Te vaak blijken cijfers bijgesteld of onvolledig.
“Als je tien jaar zegt dat van stof X zoveel uitstoot is, en later blijkt het tien keer meer, dan heb je een probleem dat ‘vertrouwen’ heet.”
In de groep komen ze steeds op hetzelfde uit: vergroenen kan, maar alle gezondheidsschadelijke emissies moeten fors omlaag — niet alleen straks, óók nu, bij de oude installaties.
Bovenwettelijke afspraken zijn nodig. De fabriek draait op verouderde normen.
“Dat is toch idioot. 
Je hoeft niet te voldoen aan de beste technieken van nu, maar aan die van dertig jaar terug.”

Naast de MER pleiten ze daarom voor een gezondheidseffectrapportage. Lood krijgt daarbij extra aandacht. Jarenlang ging er “enorm veel” lood de lucht in. Filters brachten de uitstoot omlaag, maar de erfenis blijft zichtbaar in wijken en bodems.
“We halen als land lood uit benzine en leidingen, maar hier lieten we het decennialang neerdalen. Hoe kan dat?”





Hij is geen activist, wel uitgesproken. Over de ondernemingsraad is hij fel: gezondheid was “geen issue”.
“Daar waren we buitengewoon teleurgesteld over.”
Tegelijk blijft hij bij zijn standpunt: het is én-én.
Het bedrijf moet blijven — en het moet schoner.
Geen wisselgeld.



‘Zwarte sneeuw’ noemt hij een kantelpunt. De glinsterende neerslagmomenten schudden de regio wakker.
“Tot die tijd werd veel gedoogd. Daarna was het gevoel: nú is het genoeg.”
Vertrouwen dat eenmaal weg is, komt moeilijk terug.
Over staalslakken is hij nuchter. Bruikbaar als bouwstof, mits strikt toegepast. Wat misging — stuif, open toepassingen — rekent hij aan falend toezicht.
“Je moet het netjes doen.”
Dichter bij huis schuurt het. De adviesgroep krijgt brede politieke steun, maar besluitvorming blijft uit. De kooksfabrieken zouden “morgen dicht” zijn, maar dat moment schuift. Oude installaties worden opgelapt, leidingen gedicht, emissies gemonitord — soms verkeerd, soms te laat.
“Er is veel verbeterd,” zegt hij, “maar we zijn er niet.”

Werken op de kooksfabriek noemt hij “zelfmoord op termijn” — zware blootstelling, gevaarlijke omstandigheden. 

Hij maakt de som nuchter: jaarlijks duizenden doden door chemische blootstelling in Nederland, tegenover honderden in het verkeer.
“Over dat laatste maken we ons terecht druk. Over het eerste veel te weinig.”

En toch blijft hij optimist.

“Ik denk wel dat het uiteindelijk beter wordt,” zegt hij.
Maar hij weet ook: de economie wint vaak — tenzij je grenzen stelt en handhaaft.




Daarom blijft hij in de expertgroep. Niet om te moraliseren, maar om te preciseren: welke stof, hoeveel, waarheen, met welk effect.

De fabriek die zijn jeugd kleurde — letterlijk — mag blijven.
Maar alleen als ze zich aanpast aan een nieuwe werkelijkheid:
gezondheid eerst, ook als het geld kost.
Home