Huig Molenaar
Oud-visverkoper Huig Molenaar runde meer dan twintig jaar zijn viskraam op het terrein van de Hoogovens. Wat begon als een houten keet groeide uit tot een ontmoetingsplek voor arbeiders, chauffeurs en bezoekers — bekend als Huigs Vispaleis, maar gaandeweg ook als Huigs Praathuis.
“Ik ben Huig Molenaar. Ik heb mijn hele leven in de vis gezeten, vooral in de haringverkoop op het strand van Zandvoort. In 1973 kocht ik de zaak op de Hoogovens, bij Poort Rooswijk, van Kor Lubach. Ik heb daar 21 jaar met plezier gewerkt. Wat er nu nog staat, maakt me nog altijd een beetje trots. Het heeft enorme inspanning gekost om daar een degelijk gebouwtje neer te zetten, mét riool, elektriciteit en gas. Faciliteiten die er eerst niet waren.”
“In die jaren werkte ik samen met Jack Visser, mijn rechterhand. Achttien jaar lang. Een fijne vent, we hebben nog steeds contact. We hebben er verschrikkelijk hard gewerkt, maar óók verschrikkelijk veel plezier gehad.
Wat ik zo mooi vond aan de Hoogovens: geen rangen of standen. Een jongen die pikzwart was van het smerige werk stond naast iemand van ‘achter de gouden poorten’ van de directie, en als ze haring wilden, aten ze die allemaal met de hand. Dat onderscheid bestond daar niet.”
“Onze topdagen waren tijdens de nieuwe haring. Vroeger was vis ‘vlees voor de armen’. Mensen namen op vrijdag vis mee naar huis. Nu is vis luxe geworden — en soms, vind ik, zijn we vergeten wat écht lekker is.”
“In mijn topjaren verkocht ik vierhonderd broodjes per dag. Alleen broodjes, dan tel ik gebakken vis of salades niet eens mee. Eerst werkte ik twee jaar in het oude tentje; later bouwden we aan.”
“De Hoogovens was een mannenwereld. Als mijn vrouw op vrijdag kwam helpen, werd het pas echt theater. Ze kon ze opvoeden ook. Iemand die ruw binnenviel met: ‘Twee panharingen’, kreeg eerst een ‘goedemorgen’.”
“Mijn zaak stond bekend als Huigs Vispaleis, maar de mannen noemden het al snel Huigs Praathuis. Ze kwamen allemaal langs — chauffeurs, lassers, mannen van binnen en buiten het terrein. Er werd gegeten, maar ook gepraat. Over het werk, over stakingen, over wat er gaande was.”
“In 1994 stopte ik bij de Hoogovens. Later, in het nieuws, werd het steeds negatiever rondom Tata. Als je 21 jaar met zoveel plezier en een goede boterham bij zo’n bedrijf hebt gehad, doet dat pijn. Het is aan de basis een prachtig bedrijf met een wereldwijd uniek product. Het hield de hele omgeving aan het werk — van chauffeurs tot vissers, van aannemers tot cafés.”
“Maar toch: ik woon prachtig, in Zandvoort. En als ik naar de horizon kijk met noordoostenwind en ik zie dan zo’n geelachtige pluim in de lucht voorbij schuiven… dan denk ik aan mijn zeven kleinkinderen.
Met alle respect — ik heb ze liever hier op het strand dan in Wijk aan Zee.”
“Waar ik voor sta? Eerlijk, recht voor z’n raap. Afspraken maken is afspraken nakomen. Maar neem het niet té serieus, want we gaan er allemaal een keer aan.
Ik heb mijn brood verdiend met deze twee handen. En dat doe ik eigenlijk nog steeds: werken, bouwen, iets moois maken. Dat geeft vreugde. De rest is jus.”
Home