Daan Dekker
“Ik ben Daan Dekker. Ik ben schrijver, en ik woon recht tegenover Tata Steel. Een van mijn laatste boeken gaat over de fabriek: de geschiedenis van die plek en van het bedrijf.”
Het Eeuwige Vuur is een kloek werk van 400 pagina’s. De auteur verhuisde in 2021 van Amsterdam naar IJmuiden. “Als je hier eenmaal woont, dringt het onderwerp zich vanzelf aan je op.
Vanuit mijn werkkamer in IJmuiden kijk ik letterlijk uit op de fabriek.” In dezelfde periode verscheen het eerste alarmerende RIVM-rapport over gezondheidsschade bij kinderen. “Het debat is sindsdien nooit gaan liggen. Het schiet alle kanten op, met voor- en tegenstanders. Als overbuurman wilde ik grip krijgen. Mijn manier was: de geschiedenis in. Echt snappen waarom die fabriek daar staat, hoe we in deze drijfzand-situatie zijn beland. Zo is het boek begonnen.”
Die zoektocht leidde tot bijna twee jaar werk: interviews, archieven inzien, reizen. “Ik had toegang tot het bedrijfsarchief van Tata Steel, werkte in regionale en landelijke archieven, ging naar India — naar de oorsprong van Tata in Jamshedpur — en naar Noord-Zweden, waar al een begin is gemaakt met de productie van staal op waterstofbasis, waar Tata Steel hier ook mee wil beginnen. Door me in alle facetten vast te bijten, zag ik de dynamiek van het bedrijf. Dan kun je je verhouden tot al die meningen, en je eigen koers bepalen.”
Zijn conclusie is scherp.
“Het bedrijf is vaak te laat geweest. Dat patroon is door de hele geschiedenis zichtbaar.”
Over blijven of stoppen is hij ambivalent. “Het bedrijf heeft de regio gevormd. Hoogovens bouwde woningen, richtte sportclubs op; zoveel in deze hele regio is naar het bedrijf te herleiden. Dat geeft karakter en gemeenschap. Ik hóóp dat het blijft — misschien kleinschaliger — maar ik ben niet bijzonder optimistisch. De oplossing, waterstof, is buitengewoon ingewikkeld. Er is enorm veel geld voor nodig, de vraag is of er ooit genoeg waterstof is, de kosten van staal gaan eerst omhoog en je concurreert wereldwijd met veel goedkoper staal. Vanuit India komt geen geld; dus moet het van de Nederlandse overheid komen. Dat de onderhandelingen met het kabinet zo lang duren, stemt niet hoopvol.”
Toegang tot het bedrijf kreeg hij wel, maar begrensd. “Ik ben niet naïef. Je krijgt niet alles te zien, zeker niet in het heden. Maar dat ik in het archief kon neuzen en ook dingen kon vinden die niet positief zijn voor het bedrijf — dat vind ik positief.” Hij ziet parallellen met de HUMAN-documentaire. “Mijn boek speelt meer in het verleden; die films gaan over het nu.
Alle perspectieven tonen maakt het boek en de serie allebei interessant.”
Voor hem persoonlijk is het dossier nooit ver weg. “Ik heb twee kinderen, zes en twee. Op een RIVM-voorlichtingsbijeenkomst zei iemand: het is simpel — hoe dichterbij je woont, hoe groter het risico. Ik trok thuis een lijntje op Google Maps. Ik woon hemelsbreed op zo’n 1,3 tot 1,5 kilometer van de gevaarlijkste installaties. Met noordwestenwind ruik je het. Het kruipt onder je huid.” Tegelijk relativeert hij: “We hebben Oekraïense vluchtelingen in huis gehad uit een stad met een grote staalfabriek; die vonden het hier juist opvallend schoon. Niet alles ligt hier onder zwart roet, zoals vroeger. Maar als je een keuze hebt, wil je je kinderen hier niet hun hele jeugd laten wonen. Ik wil mijzelf later niets hoeven verwijten.”
Kort na zijn verhuizing naar IJmuiden steunde hij actiegroep Frisse Wind. “Dat voelde achteraf niet zuiver: je gaat tegenover een fabriek wonen en steunt een paar maanden later een actiegroep. Daarom had ik er spijt van. Nu zou ik ze zó weer kunnen steunen. Druk op het bedrijf is nodig.
En gaandeweg is voor mij duidelijk geworden dat het bedrijf op punten bewust nalatig is geweest. Dan wordt een standpunt innemen makkelijker.”
Is het een klassenstrijd? “Zo zou je het kunnen framen, maar ik vind het te simpel. De directie zit óók vast in structuren. De echte knoop ligt in India, bij de eigenaar. Die afstand doet ertoe. Vroeger was er sterke wisselwerking met de omgeving. Die band is verbroken.
Het bedrijf doet echter nog steeds een beroep op dat oude sentiment, en dat voelt niet altijd fair.”
Speculeren over de toekomst laat hij liever aan journalisten over. “Mijn boek plaatst het huidige debat in historisch perspectief. Zo kun je argumenten toetsen. Neem de strijd over sluiting van Kooksfabriek 2. Vaak hoor je van Tata: ‘we kunnen die niet sluiten’. Maar als een probleem al sinds de jaren zeventig speelt, kun je niet vijftig jaar talmen en dan zeggen: ‘nu kan het nog niet dicht, anders kunnen wij niet verder’. Dat is dan het probleem van de fabriek, niet van omwonenden.”
Zijn boek werd opvallend vaak positief ontvangen door oud-werknemers. “Hoewel ik best kritisch ben. Dat ze zo reageren waardeer ik. Uit de activistische hoek hoor ik soms juist dat het perspectief té veel vanuit de fabriek kijkt. Ik mis daar soms de empathie voor werknemers en het belang dat het bedrijf óók heeft.”
Wat volgens hem nu nodig is: duidelijkheid. “Zonder duidelijkheid groeien tegenstellingen. We zeiden thuis: we kijken het een paar jaar aan, maar dan wil ik perspectief zien.
Dat zie ik nog steeds niet.”
Dat de fabriek kwetsbaar is, hoort hij ook van binnenuit. “Een oud-werknemer van Kooksfabriek 2 vertelde dat onderhoud en investeringen al jaren worden uitgesteld. Je voelt dat dit productiesysteem op de laatste benen loopt.”
Over het idee van sommigen dat de kooksfabrieken als drukmiddel richting overheid worden gebruikt, is hij terughoudend. “Er wordt veel gezegd, maar wat er precies speelt, weet niemand buiten het bedrijf. Dat ze strategisch nadenken lijkt me logisch, maar echt vertrouwen win je alleen door open kaart te spelen. Daar ligt hun grootste uitdaging.”
Home