Cinta Groos
Het kantoor van Tata Steel’s machtige ondernemingsraad ligt verscholen achter het Hoogovensmuseum, in een weinig indrukwekkend gebouw dat ooit deel uitmaakte van het industriële hart van de fabriek. Daarna kreeg het een nieuwe bestemming. Het is nu al jaren deels een industriemuseum en deels het domein van de ondernemingsraad.
Het gebouw ademt nog steeds de sfeer van zijn laatste productiejaren. Tegeltjes, systeemplafond, en in de gang een TL-balk die het zelfs in de zomer aan de winter doet denken. Aan de muur een paar oude foto’s, op het bureau stapels notities.
Cinta Groos schuift haar stoel iets achteruit wanneer de recorder aangaat. Eerst lijkt ze wat strak, een tikje nerveus. Later ontspant ze — en begint te vertellen, helder, bedachtzaam, met een warme ondertoon. Ze heeft een boodschap.
Cinta werkt al vijfendertig jaar op dit terrein en sinds 2021 is ze voorzitter van de Centrale Ondernemingsraad. Ze trad aan net na een roemruchte staking die bijna een maand duurde, waarbij het hard tegen hard ging tegen desastreuze plannen van de Indiase directie voor een massa-ontslag. Een verwoestend plan dat het bedrijf niet te boven zou komen. Het leidde tot een conflict van een omvang die de fabriek al decennia niet meer had meegemaakt. Cinta was er intensief bij betrokken.
Na het vertrek van ondernemingsraadvoorzitter Frits van Wieringen werd Cinta door haar collega's unaniem op het schild gehesen. Wat ze dagelijks doet? Ze legt het rustig uit: zij staat aan het hoofd van de OR, een wettelijk verplicht orgaan, gekozen door werknemers, met lokale raden in IJmuiden en bij de downstream-bedrijven in de hele Benelux. Daarboven staat de Centrale OR die meeweegt bij beslissingen die richting geven aan de Nederlandse tak van het mondiale bedrijf.
“Het is een driehoek,” zegt ze. “Directie, Raad van Commissarissen, en wij — zodat beslissingen niet alleen financieel, maar ook vanuit de werkvloer zijn doordacht.”
Het klinkt ordelijk en democratisch; in de praktijk vraagt het veel van haar.
We lopen kort door de geschiedenis van het bedrijf. De fusie met British Steel in 1999, waar het fusiebedrijf Corus uit ontstond, noemt ze “een grote fout”: nieuwe lagen, Angelsaksische bedrijfscultuur, kostenbesparingen die op het personeel werden afgewenteld. In 2007 gevolgd door de overname door het Indiase Tata Steel.
Ondertussen draait de fabriek door op krappe bezetting, terwijl het beoogde nieuwe reorganisatieplan volgens haar te veel mensen “uit het systeem” duwt.
“Je vraagt om meer prestaties,” zegt ze, “maar je haalt handen weg.”
Na minuten praten over de hoge druk en plannen die moeilijk landen, zakt haar stem iets.
“Wat maakt dat je nog elke dag hierheen gaat?” vraag ik.
Ze zoekt naar woorden; haar handen rusten even stil op tafel.
Dan kijkt ze opzij, knikt — en haar ogen glanzen, halve tranen die langzaam naar boven vloeien.
“Voor mijn collega’s,” zegt ze zacht. “Daar doe ik het voor.”
Ze veegt even over haar wangen.
Een paar seconden hangt de kamer stil — alleen het zachte zoemen van de TL-balk houdt de tijd vast.
Dan herpakt ze zich — en wanneer ze weer spreekt, zoekt ze woorden voor het loodzware gewicht dat net zichtbaar werd.
“Het is zwaar omdat de wereld om het bedrijf heen harder is gaan praten dan het bedrijf zelf; zwaar omdat er tegelijk een reorganisatie over de vloer rolt; en zwaar omdat het vertrouwen — buiten én binnen — broos is.
Onder die druk moet je blijven benadrukken: vergroenen gaat hier níet zonder het bedrijf. Juist hier kan de klap die we met z’n allen moeten maken, groot zijn.”
Buiten het hek is het debat luid. Cinta is precies in haar bewoordingen. Zwarte sneeuw is iets anders dan een grafietregen; Harsco heeft een hal gebouwd waar slakpannen gekiept worden.
“Details doen ertoe,” zegt ze. “Anders gooit iedereen alles op één hoop.”
Tegelijk erkent ze zonder omhaal dat het hier geen volkstuin is. “Bij staal komt van alles vrij. Je moet doen wat je kunt om te minimaliseren.”
Ze leest intensief de rapporten van kritische overheidsinstanties — RIVM, Onderzoeksraad voor Veiligheid, Expertgroep Gezondheid IJmond — en ergert zich er vooral aan hoe er soms één cijfer uit wordt gelicht.
“Die rapporten zijn goed,” zegt ze, “maar je kan er wel twintigduizend dingen uit halen. Het frame ligt dan al klaar.”
Ze kent dat frame: “de grote vervuiler”.
Het plakt, zegt ze, en krediet is schaars. Toch is haar overtuiging koppig: de lucht is echt veel schoner dan decennia geleden, ook al weten we inmiddels veel beter wat schadelijk is voor de gezondheid.
“Zodra je het weet, moet je handelen.”
In dat handelen, zegt ze, ligt precies de noodzaak van het bedrijf zelf.
“Er is nergens ter wereld zo veel expertise en infrastructuur om de uitstoot bij de bron te vervangen. Dáár moet je het doen. Niet door te doen alsof je zonder dit bedrijf kunt.”
Wanneer het over gezondheid gaat, schuift ze haar stoel weer iets naar achter. Ze vindt niet dat alleen buitenstaanders het recht mogen opeisen om zich zorgen te maken.
“We zijn dag in dag uit bezig met veiligheid en stofreductie — betere procedures bij de kooksfabrieken, pakstofconvenanten, filters, investeringen.”
Ze heeft moeite met activisten die de fabriek het liefst morgen sluiten, en met onderzoeken die volgens haar te weinig nuance kennen. Toch ziet ze zichzelf juist als deel van de milieubeweging.
“Omdat het hier moet veranderen. Daarom zit ik hier.”
Ze wil dat de staat, liefst als aandeelhouder van het bedrijf, veel dichter bovenop de transitie naar een schoon producerende fabriek zit — niet om er een staatsbedrijf van te maken, maar om sneller te kunnen schakelen wanneer het algemeen belang op tafel ligt.
“In omringende landen gaat het sneller,” zegt ze, “wanneer de overheid actief meedoet.”
Aan het eind trekt ze de rug recht. Ze somt geen beloftes op, ze claimt geen finale waarheid. Wat overblijft is een portret van een voorzittersstoel die eerder schuurplek is dan troon: tussen directie, bonden, werkvloer, buurt, politiek — en steeds dat voor de samenleving broodnodige materiaal dat door de route moet, van vloeibaar naar vast.
Staal als gewicht en als belofte.
Over een week vertrekt ze naar Nepal — vijf weken de bergen in, weg van het terrein, naar stilte en hoogte.