Arij de Jong
Hoogovens, een leven lang.
Arij de Jong is negenentachtig wanneer hij zijn verhaal vertelt. Binnenkort wordt hij negentig. Hij spreekt rustig, soms met een omweg naar het doel, maar altijd precies. Wie luistert, hoort niet alleen zijn eigen levensverhaal, maar ook de geschiedenis van de Hoogovens zelf — van handwerk en hitte tot computers en camera’s.
Hij begon in 1961 bij Hoogovens. Het werk werd met de hand gedaan. Hoogoven één, twee en drie waren open processen. IJzer en slak liepen door zandgoten die je zelf aanlegde en weer opruimde. Afsteken gebeurde niet met een knop of een scherm, maar met machines die je tegen het vuur aanduwde. Je stond letterlijk in de hitte.
Arij werkte zich op tot eerste smelter en later hoofdsmelter. Dat betekende verantwoordelijkheid. Hij regelde de loop van ijzer en slak, bewaakte het proces in het ovenhuis en stuurde mensen aan. Boven hem stond de hoofdsmelter die het geheel overzag. Maar het echte werk gebeurde beneden — bij de mannen op de vloer, bij de onderkant van de hoogovens waar het wonder van het vloeibare ijzer in heloranje, kokendhete riviertjes moest worden geleid.
“Je moest met die jongens praten,” vertelt hij. Als er iets misging, wist hij het meteen. Hij had altijd contact met zijn ploeg — in het schaftlokaal, op de werkvloer. Niet op afstand.
In de jaren zestig en zeventig veranderde het werk snel. Hoogovens vier en vijf kwamen erbij, later zes en zeven — de twee ovens die er nu nog staan. Eerst werd het proces beter beheersbaar, daarna deden de computers hun intrede. Wat ooit op gevoel en ervaring ging, werd steeds preciezer. Tegenwoordig wordt alles op de kilo gemeten. Vroeger kon dat nog wel eens misgaan.
Arij maakte de zware kanten van het werk van dichtbij mee. Ernstige ongelukken. Doden. Een explosie bij Hoogoven vijf, veroorzaakt door tijdsdruk en te grote risico’s. Hij was er zelf net niet bij — hij lag in het ziekenhuis — maar kende het verloop. Het had voorkomen kunnen worden, zegt hij. Maar er werd gejaagd. De productie moest door.
Er werd weinig over die ongelukken gesproken. Dat mocht ook niet. Oorzaken verdwenen uit beeld, namen werden niet genoemd. Alleen de herinnering bleef.
Ook bij Hoogoven vier zag hij collega’s omkomen, geraakt door loskomende aankoeksels in de ovenwand. Het hoorde bij die tijd. Veiligheid was een ander begrip dan nu.
Bescherming was minimaal.
Vroeger droegen ze gewoon een dikke baaien werkjas. Geen beschermende pakken zoals nu.
Gezondheid was geen groot gespreksonderwerp. Hoogovensgas, koolmonoxide — als je wat had ingeademd, ging je even naar boven om een teug zuurstof te halen. Daarna snel weer aan het werk. Tegenwoordig moet je bij elk ongeval meteen naar de verbandkamer.
Arij verloor ook collega’s aan ziekte. Mannen die jong stierven. Anderen die in het buitenland in kolenfabrieken hadden gewerkt, waar stoffen werden gebruikt die later schadelijk bleken, gingen daar ook aan onderdoor. Hij ontkent dat niet. Maar hij relativeert ook. Sommige mensen zijn gevoeliger. Anderen komen overal doorheen.
Hij kijkt met trots terug op zijn werk. Op de techniek. Op het proces. Als hij het gloeiende ijzer ziet stromen, gaat zijn hart open.
Het blijft prachtig.
Nu volgt hij de plannen voor Groen Staal met interesse. Waterstof, nieuwe processen — hij gelooft dat het technisch kan. Maar het duurt lang. Goede dingen duren altijd lang.
Hij is nog altijd actief als vrijwilliger in het Hoogovensmuseum. Daar scant hij foto’s, ordent archiefmateriaal en spreekt hij met oud-collega’s. De industrie is veranderd. Minder mensen, meer automatisering. Op plekken waar vroeger drieëntwintig man rondliepen, zijn het er nu drie of vier. Camera’s kijken mee. Computers sturen bij.
De hitte is er nog. Het vuur ook.
Maar de wereld eromheen is een andere.